Hugo Claus

Hugo Maurice Julien Claus (Brugge, 5 april 1929 – Antwerpen, 19 maart 2008) was een Vlaams dichter, schrijver, kunstschilder en filmmaker. Hij was de meest bekroonde auteur uit het Nederlandse taalgebied. In de loop van zijn lange carrière schreef Claus duizenden gedichten, tientallen toneelstukken en meer dan 20 romans, waarvan de bekendste zijn meesterwerk Het verdriet van België uit 1983 is.

Algemeen

Het werk van Claus is divers van karakter. De auteur mengt het tragische, verhevene, klassieke met het banale, burleske en obscene. Terugkerende thema's zijn: de liefde voor de moeder, de haat tegen de (afwezige) vader, seksualiteit, het schuldgevoel door het katholieke geloof en Vlaanderen in en na de oorlog.

Claus publiceerde onder het pseudoniem Dorothea van Male de roman Schola nostra (1971). Hij gebruikte ook de pseudoniemen hugo c. van astene, Anatole Ghekiere, Jan Hyoens, Thea Streiner en Conny Couperus.

In 1983 publiceerde hij Het verdriet van België, waarin hij in de vorm van een familiekroniek vol autobiografische feiten, zoals steeds gelardeerd met surrealistische toetsen, de politiek-sociale verhoudingen in België beschrijft en op zoek is naar de wortels van de collaboratie van kleinburgers in een provincienest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tegelijk is de roman een Bildungsroman van een literair begaafde en vroegrijpe jongen en een sleutelroman over een Vlaamse middenstand uit de beschreven periode. Claus was een speler, zowel letterlijk bij kaartspel, poker en pietjesbak, als met zijn medium literatuur en zijn lezer. Hoe toegankelijk en ogenschijnlijk simpel zijn werk ook is, schepte hij er verhuld plezier in om dubbele bodems en cryptische verwijzingen in zijn werk te verweven. Hij was opgetogen toen hij mocht ondervinden dat een universitair geschoold literatuurwetenschapper hem hierbij op de hielen zat: Paul Claes, die met zijn essays 'De Mot zit in de mythe' en 'Claus-reading' (1984) aandacht besteedde aan dit gegeven en daarmee een dimensie toevoegde aan de Claus-studie.

Levensloop

Jeugd

Hugo werd geboren als oudste zoon van drukker Jozef (Joseph) Claus en Germaine Vanderlinden. In februari 1931 kwam zijn broer Guido ter wereld (overleden op 9 november 1991), later gevolgd door Odo (januari 1934) en Johan (november 1938), overleden op 13 februari 2009. Drie maanden later – vader Claus was ondertussen ook handelaar in schoolbenodigdheden geworden en actief in het amateurtoneel – verhuisde het gezin naar Astene (Deinze), het dorp waar moeder Germaine opgroeide. Jozef begon er drukkerij 'De Lindekens'.

Zoon Hugo bracht de grootste tijd van zijn jeugd op de kostschool door, onder meer te Eke. Van 1933 tot 1939 verbleef Claus bij de zusters van het Pensionat Saint-Joseph in Aalbeke. In het schooljaar 1939-1944 volgde hij zijn lager middelbaar onderwijs aan het Sint-Amandscollege in Kortrijk en later te Astene.

In 1946 verliet hij het ouderlijk huis en ging samen met kunstschilder Antoon De Clerck in Sint-Martens-Leerne wonen. Hij volgde er naar verluidt beeldhouwlessen aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten en schreef gedichten, schilderde en had ambities om acteur te worden.

Hij voorzag in zijn levensonderhoud als boekillustrator en als schilder van landschapjes en gevels. Op achttienjarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste dichtbundel en een jaar later zijn eerste roman. In 1947, het jaar waarin hij met de bundel experimentele poëzie Kleine reeks debuteerde, werkte hij van oktober tot december als seizoenarbeider in een suikerfabriek te Chevrières in Noord-Frankrijk. In 1948 brengt Claus drie dagen door in Parijs; in de Bar Vert in Saint-Germain-des-Prés ziet hij schielijk de reeds afgetakelde auteur, acteur en theatertheoreticus Antonin Artaud zitten, die hij als zijn geestelijke vader zal gaan beschouwen. De confrontatie met deze auteur van het 'théâtre de la cruauté' zal hem drijven tot de studie van Seneca en de Elizabethanen.

Vanaf 1 april 1949 vervulde hij zijn dienstplicht, gedeeltelijk als redacteur van het tijdschrift Soldatenpost (zijn sergeant was Herman Liebaers). Intussen had hij samen met enkele gelijkgezinden (Jan Walravens, Louis Paul Boon, Tone Brulin, Ben Cami, Marcel Wauters e.a.) het avant-gardetijdschrift Tijd en Mens opgericht en in 1949 hield hij zijn eerste expositie als schilder in de boekhandel van de Franstalige dichter Henri Vandeputte in Oostende.

Schrijver

Zijn eerste roman, De Metsiers (1950), geschreven toen hij 21 jaar oud was en vanwege een weddenschap in ongeveer één maand tijd, werd een succes. (De Metsiers was aanvankelijk getiteld De eendenjacht, achteraf vertaald als La Chasse aux Canards en Sister of Earth). Hij zond het manuscript in voor de Leo J. Krynprijs en kreeg meteen een bekroning voor het gebruik van het meervoudige vertelperspectief. Toch vond hij zichzelf in de eerste plaats nog schilder. Hoewel hij meteen als literair wonderkind werd erkend [bron?], kwamen er ook negatieve reacties op de thema's incest en inteelt in het boek.

Van 1950 tot 1953 woonde hij in Parijs, waar hij in contact kwam met het surrealisme, het existentialisme en het Cobramodernisme. Hij woonde er samen met Karel Appel, Hans Andreus, Rudy Kousbroek, Simon Vinkenoog e.a.

In 1953 vestigde Claus zijn naam als prozaschrijver met het boek De Hondsdagen en schreef zijn eerste avondvullende toneelstuk, Een bruid in de morgen, waarin de incestueuze relatie tussen broer en zus centraal staat. In 1955 werd het stuk voor het eerst opgevoerd; in Nederland onder regie van Ton Lutz, het begin van een jarenlange samenwerking en vriendschap. De meningen over het stuk waren verdeeld. Sommigen vonden het vulgair, anderen erkenden zijn meesterschap.

Van februari 1953 tot begin 1955 verbleef hij in Italië, waar zijn vriendin Elly Overzier (1928-2010) (onder de naam Elly Norden, onder meer bij Federico Fellini, Jacqueline Audry, Alberto Lattuada) in films acteerde. Zij was de dochter van een Nederlands reder. Hij woonde twee jaar in Rome en legde via haar contacten in het filmmilieu. Hij trouwde met haar op 26 mei 1955 in Gent; de bruiloft werd vijf dagen later gevierd in het Brusselse café La Fleur en Papier Doré, Het Goudblommeke in Papier van surrealist-schilder-poëet-galerist Geert van Bruaene, ooit nog vriend van Paul van Ostaijen, in aanwezigheid van kunstvrienden als Jan Walravens, de schilders Roger Raveel en Albert Saverijs, broer Guido, Simon Vinkenoog en Louis Paul Boon. De surrealistische eloge van Jan Walravens werd afgebroken door Elly met de legendarische woorden: "Assez de méchancetés".

De Italiaanse filmervaringen van Claus waren stof voor de roman De koele minnaar.

Van april 1955 tot november 1964 woonde hij met Overzier in Gent, waar hij ooit aan de 'Koninklijke Academie voor Schone Kunsten' en de 'Koninklijke Toneelschool' lessen volgde. In 1959 voerde een beurs van Ford Foundation hem naar de Verenigde Staten samen met onder andere Fernando Arrabal, Claude Simon en Italo Calvino. Op 7 oktober 1963 werd hun enige zoon, Thomas Pieter Achilles, geboren. Begin 1964 solliciteerde Claus tevergeefs naar de functie van directeur van het op te richten Nederlands Toneel Gent. Gekrenkt door de afwijzing van de Raad van Beheer, waarin een toneelauteur zetelde, verbood hij dat zijn stukken in Gent zouden worden opgevoerd. Later, met een nieuwe directie, zou het conflict worden gladgestreken; en nog later zou hij door bemiddeling van vriend acteur Hugo Van Den Berghe gedurende enkele jaren huisauteur van het NTG worden. In 1965 verhuisde hij met Elly en Thomas naar het landelijke Nukerke, in een boerderij gerestaureerd door dichter-architect Albert Bontridder.

Veelzijdigheid

In de daaropvolgende jaren liet Claus van zich horen. Als sociaal geëngageerde kwamen politieke thema's in zijn werk meer tot uiting, zoals in de opera Morituri waarin hij zich tegen het Amerikaanse imperialisme afzet, of in de multimedia-opera Reconstructie over de bevrijdingsstrijd in Zuid-Amerika, waarin in de loop van de voorstelling een standbeeld voor Che Guevara wordt opgericht. Hij schreef romans, verhalen, gedichten en toneelstukken. Ook genoot hij bekendheid als filmregisseur, scenarioschrijver en beeldend kunstenaar. In 1965 regisseerde hij zijn eerste film, De vijanden: over de door omstandigheden gedwongen vriendschap tussen een Amerikaanse G.I. (Del Negro), een Duitse Wehrmachtsoldaat (zijn oude vriend Fons Rademakers) en een Antwerpse piot (Robbe De Hert). In 1966 volgde de artistiek schokkende toneelregie van zijn Thyestes, in co-regie met oude vriend en acteur Ton Lutz, naar het theatercredo van Antonin Artaud en Jerzy Grotowski, wat hem een uitnodiging opleverde bij Jean Louis Barrault in het Festival du Thèâtre des Nations in Parijs. In 1969 ging zijn toneelstuk Vrijdag met Kitty Courbois in de hoofdrol in Amsterdam in première. Dit was het eerste toneelstuk waarin zijn mengtaal van dialect en Standaardnederlands naar voren kwam. Het was alsof Claus tegenover zijn Hollandse fans een Vlaamse identiteit wilde affirmeren. En de 'Hollanders' spraken in zijn regie onberispelijk 'Vlaams'.

Tussendoor reisde hij naar onder meer Italië, Griekenland, Spanje, Turkije, de Verenigde Staten (van november 1959 tot april 1960), Mexico en met onder andere Harry Mulisch naar Fidel Castro's Cuba. Terug in België oordeelde een rechtbank (met scheiding der machten onder socialistisch minister van Justitie Alfons Vranckx) dat zijn theaterproductie Masscheroen in strijd was met de openbare zeden en legde hem vier maanden gevangenisstraf op. Het vonnis werd na publiek protest (de 'Anti-Censuur Protest Read-in') in een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke boete omgezet. Hij had zijn vrienden-dichters Hugues C. Pernath, Bob Cobbing en boezemvriend Freddy de Vree in naakten lijve opgevoerd als Heilige Drievuldigheid, wat voor de katholieke rechter van Brugge niet zozeer zedenschennend dan wel ongeregeld blasfemisch geweest zal zijn. De dichter heeft achteraf aan zijn vervolger een puntig gedicht gewijd.

Nadat hij vijf jaar op een 250 jaar oude boerderij in Tenhole, Nukerke (Vlaamse Ardennen) en even in Knokke had gewoond, verhuisde Claus in maart 1970 naar Amsterdam, waar hij tot 1971 actrice Kitty Courbois kende. Na haar schreef hij de roman Het jaar van de kreeft.

De veerkracht van zijn levensstijl liep parallel met de beweeglijkheid van zijn artistieke productie. Een relatie leidde tot een bundel gedichten, Dag, jij (1971), die bol stond van seksueel expliciete scènes en emotionele hevigheid.

In 1962 verscheen De Verwondering, een complexe roman over de nasleep van de collaboratie.

Van 1974 tot 1978 verbleef Claus in Parijs met de actrice Sylvia Kristel. Ze kregen op 10 februari 1975 een zoon, Arthur.

Uiteindelijk verhuisde hij in 1977 alleen terug naar Gent, waar zijn broer Guido, samen met zijn echtgenote Motte Claus sinds 1973 de 'Hotsy Totsy' uitbaatte, de artistieke privéclub, waar Claus broer en kind aan huis was. Met zijn vriend Freddy de Vree, producer van BRT 3, ondernam hij in 1981 een reis naar Mexico, verslagen in 'Mexico vandaag, land van Posada'. Naar zijn toneelstuk draaide hij zijn film Vrijdag, waarna hij werkte aan zijn roman Het verdriet van België, die in 1983 verscheen. Het werd in 1994, niet gans volgens zijn verwachtingen, verfilmd door de Zwitserse regisseur Claude Goretta.

Zijn moeder en vader stierven respectievelijk in 1984 en 1986 in Gent. Op 12 juni 1993 trad Claus te Antwerpen voor de tweede maal in het huwelijk met zijn vriendin Veerle de Wit. Ze hielden een tijdlang verblijf in onder andere Cavaillon (Zuid-Frankrijk) en Croagnes. In 1996 werd aan de Universiteit Antwerpen het 'Studie- en Documentatiecentrum Hugo Claus' opgericht. Het was het eerste studie- en documentatiecentrum dat werd gewijd aan een nog levende schrijver.

Zijn eerste vrouw, Elly Overzier, stierf op 26 december 2010 op 82-jarige leeftijd aan hartproblemen.

Overlijden

Claus overleed op woensdag 19 maart 2008, kort voor zijn 79ste verjaardag in het Middelheim-ziekenhuis te Antwerpen. De schrijver leed zo'n twee jaar aan de ziekte van Alzheimer en koos daarom zelf het moment van zijn dood door middel van euthanasie[1] via de organisatie Recht op Waardig Sterven. Kort voor zijn overlijden gaf de filosoof Etienne Vermeersch Claus nog advies over euthanasie.

Oeuvre

In het begin van de jaren vijftig verraste en choqueerde Claus met realistische romans waarin met niets ontziende oprechtheid de mens tot in het uiterste ontluisterd werd. De stijl is krachtig, het taalgebruik bruisend-expressionistisch en de toon fel, cynisch en geladen. Later werd zijn proza soberder, maar de toon blijft hard.

Claus is een belangrijke en heel productieve naoorlogse kunstenaar: in ruim een halve eeuw publiceerde hij meer dan 150 afzonderlijke titels. Er verschenen van zijn werk meer dan honderd vertalingen in een twintigtal talen.

De publicatie in maart 1983 van zijn magnum opus Het verdriet van België zorgde in de pers voor een nooit geziene hype [bron?]. Het boek is in vele talen vertaald en is zowat de enige naoorlogse Vlaamse roman die tot de klassiekers van de moderne Europese literatuur mag worden gerekend [bron?].

Naast de invloeden van de Nouveau roman is er de invloed van James Joyce (Finnegans Wake) te bespeuren. Is Het Verdriet van België (1983) een roman over zijn jeugdjaren in Kortrijk, dan is de roman De verwondering (1962), die zich te Oostende afspeelt, waar zijn vader een uitgeverij had in de Karel Janssenslaan, een cryptische sleutelroman met verwijzingen naar de klassieken.

Net als zijn levensstijl is Claus' artistieke productie gevarieerd en grillig. Sinds 1947 werkte hij aan een relatief groot en eigenzinnig oeuvre: hij schreef gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, operalibretto's en scenario's voor film, televisie en stripverhalen. Hij vertaalde, schilderde en regisseerde.

Hij was medeoprichter van Tijd en Mens (1949), redacteur van De Gids en het Nieuw Vlaams Tijdschrift en medewerker van Arsenaal, Avenue, Snoecks,Blurb, Braak, Cobra, Podium en De Vlaamse Gids.

In 1962 richtte hij het tijdschrift Randstad op, samen met Harry Mulisch, Ivo Michiels en Simon Vinkenoog.

Hij schreef chansons voor zangeres Liesbeth List en eenmaal een vrijwillige inzending voor het Eurosongfestival, samen met componist Frederic Devreese, voor all-round-operazangeres Mireille Capelle. Het lied werd geweigerd door de BRT-directie, helaas niet met gunstiger resultaat.

Poëzie

Het gedicht De aarde danst op haar wolken op een muur op de hoek tussen de Geregracht en het Levendaal in Leiden

Zijn experimenteel getinte, antirationalistische poëzie heeft een sterk visueel element en ontwikkelde zich van vrij klassieke belijdenislyriek in Kleine reeks (1947) naar explosief modernisme in de jaren vijftig, zodat hij naast Lucebert als de belangrijkste dichter van de Vijftigers wordt ervaren.

'De Oostakkerse gedichten (1955), zetten de toon voor het hele werk: de spanning tussen animaal en seksueel vitalisme en een scherpe en erudiete intelligentie, die met motieven en citaten uit onder meer de klassieke literatuur speelt.

Zijn poëzie is divers: van sociaal geëngageerd via experimenteel en associatief tot zeer persoonlijke liefdeslyriek. In de latere poëzie (onder andere De sporen, 1993) slaat Claus een meer abstracte en postmodernistische richting in.

Samen met Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Simon Vinkenoog en Lucebert bevindt hij zich intussen in de voorste gelederen van de nieuwe generatie Nederlandstalige dichters. Die generatie van de Vijftigers drukt haar stempel door een antitraditionele, antirationele, anti-esthetische, experimentele kunstvorm te omhelzen die ontvankelijk is voor invloeden uit de Nieuwe Wereld. Na 1960 valt de groep uiteen en gaan de leden elk hun eigen weg.

Theater

Rob de Graaf noemt Claus in Toneel Theatraal: "de godfather van de moderne Nederlandstalige toneelschrijfkunst". Het toneeloeuvre van Claus is zeer omvangrijk: 35 oorspronkelijke stukken en nog eens 38 vertalingen en bewerkingen van Engelse, Griekse, Latijnse, Franse, Spaanse en Nederlandse toneelstukken en romans.

Het eerste stuk, De getuigen, dateert uit 1952. In dat eerste stuk bepaalt hij het thema waaraan hij meer dan veertig jaar trouw blijft en dat als een rode draad door al zijn stukken loopt: begeerte. Het is een natuurlijke impuls die eeuwenlang aan de teugels van geloof en moraal is gelegd. De lichamelijke begeerte werd aan de voortplanting gekoppeld, terwijl begeerte buiten het huwelijk verboden werd.

Aanvankelijk verwijst Claus naar het katholicisme, later voegt hij hieraan verwijzingen naar de Griekse en Romeinse mythologie toe.

Tot het beste van Claus' oeuvre behoren met name die stukken waarin zijn gespannen verhouding tot Vlaanderen tot uiting wordt gebracht. Dat gebeurt in Een bruid in de morgen (1955), een klassieker inmiddels die door Tennessee Williams beïnvloed is en verder ook in Suiker (1958), Vrijdag (1969) en Interieur (1971).


 

Film

"Mensen van mijn leeftijd zijn nu eenmaal enorm door de film beïnvloed. Ik wilde zo dicht mogelijk bij die wereld komen. De droom, daar ging het om. De droom heeft de allures van de film, van het beeld". (Hugo Claus, 1978)

Van 1953 tot 1955 werkte Claus tijdens zijn verblijf in Italië sporadisch mee aan films van onder andere Alberto Lattuada en Luigi Malerba.

Claus schreef zijn eerste filmscenario Dorp aan de rivier (1958), naar de roman van Anton Coolen. Dorp aan de rivier wordt geregisseerd door Fons Rademakers, voor wie Claus ook Mira of De teloorgang van de Waterhoek (1971, naar Stijn Streuvels) en Het mes (1960) bewerkte.

Hij schreef meer dan twintig filmscenario's, waaronder: Het jaar van de kreeft (verfilmd door Herbert Curiel, 1975), Pallieter (naar Felix Timmermans, 1976) en Het gezin Van Paemel (1986), naar Cyriel Buysse.

In 1968 gingen de eerste twee films van Claus als regisseur in première: De vijanden en Het speelmeisje. Bijna twaalf jaar later, in 1980, regisseerde Claus de filmbewerking Vrijdag van zijn bekroond toneelstuk Vrijdag.

Claus was midden jaren 80 de drijvende kracht achter de verfilming van Hendrik Conscience's De leeuw van Vlaanderen met Jan Decleir en Julien Schoenaerts.

In 1990 volgde Het sacrament met Frank Aendenboom, Carl Ridders, Hugo Van Den Berghe en Ann Petersen. Het sacrament is de filmadaptatie van Omtrent Deedee.

Zijn laatste film, De verlossing, dateert uit 2001.

Plastische kunst

Claus' werk als kunstschilder is minder bekend. Hij was bevriend met verschillende plastische kunstenaars, waaronder de Cobra-groep, waar hij deel van uitmaakte en schilders als Roger Raveel, die ettelijke literaire werken van Claus verluchtte. Zelf nam hij geregeld op persoonlijke wijze het penseel ter hand. In 2005 gaf Hugo Claus zijn allerlaatste interview ooit aan zijn vriend radiojournalist Jef Lambrecht[9]. In Amstelveen liep op dat moment in het Cobra-museum een tentoonstelling met zijn beeldend werk. In 1956 hield Claus zijn eerste eenmanstentoonstelling in Galerie Taptoe te Brussel. In maart 1959 bekwam hij zijn tweede solotentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel.

Prijzen en Onderscheidingen

Claus ontving tijdens zijn leven verschillende bekroningen voor zijn boeken. De belangrijkste hieruit zijn 4 Staatsprijzen voor Toneelliteratuur, 1 Staatsprijs voor Poëzie en 1Staatsprijs voor Proza; de Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste onderscheiding voor een Nederlandstalig auteur; de Driejaarlijkse Henriette Roland Holst-prijs voor zijn gehele toneeloeuvre; de Cultuurprijs van de Stad Gent (1978); de Constantijn Huygensprijs en de Aristeionprijs, de hoogste Europese literaire onderscheiding.

Claus was sinds 1957 Ridder in de Orde van Leopold II, sinds 1971 Ridder in de Kroonorde en ook drager van de 'Bronzen Medaille van de stad Gent'. In 1986 ontving Hugo Claus de Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste onderscheiding voor een Nederlandstalig auteur. De auteur gold sinds jaren als een kandidaat-winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur.


 

Volgens een enquête (1999) van het weekblad Knack en de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen is de roman Het verdriet van België het Nederlandstalige boek van de 20e eeuw.

In 2005 eindigde hij op nr. 30 in de Vlaamse versie van De Grootste Belg.

Een belangrijke Belgische bankinstelling weigerde ooit sponsoring aan een belangrijke toneelinstelling wegens een opdracht aan Hugo Claus ter gelegenheid van Europalia.

Onontdekte gedichten

In mei 2008 doken zeven onbekende gedichten op, die volgens Claus-kenners toebehoren aan De Oostakkerse gedichten en van een onschatbaar literair belang zouden zijn. De manuscripten werden op 10 mei 2008 geveild in het veilinghuis De Vuyst in Lokeren. Het nagelaten materiaal documenteert omstandig het ontstaan en de ontwikkeling van De Oostakkerse gedichten. Daarover was tot dan zo goed als niets bekend. Het meeste materiaal stamt uit de periode vóór de publicatie in Tijd en Mens. Zo blijkt hoe ook nog in de drukproef voor de tijdschriftuitgave de eerste cyclus de titel Mythologisch droeg (en nog niet De ingewijde) en de tweede cyclus Een liefde (en niet Een vrouw).[10]

In december 2008 werd wat Claus' eerste gedicht zou zijn geveild voor 2400 euro bij Veilinghuis De Wit in Oostende. Hij schreef het als 13-jarige scholier voor klasgenote Miriam Soetaert op een bladzijde van een schoolschrift en noemde het 'Grauwvuur'. De eigenaresse maakte het bestaan van het gedicht pas na Claus' overlijden bekend, omdat hij op de andere kant van het papier had geschreven "aan niemand tonen a.u.b.".

Bibliografie

Gedichten

1947 – Kleine reeks

1948 – Registreren

1950 – Zonder vorm van proces

1951 – Vierendelen

1952 - Drie blauwe gedichten voor Ellie

1952 – Tancredo Infrasonic

1953 – Een huis dat tussen nacht en morgen staat

1955 – De Oostakkerse gedichten

1955 – Paal en perk

1961 – Een geverfde ruiter

1963 – De man van Tollund

1963 – Het teken van de hamster

1963 – Love Song (poëzie op werk van Karel Appel)

1964 – Oog om oog

1965 – Gedichten

1965 – Het landschap

1967 – Relikwie

1969 – Genesis

1970 – Heer Everzwijn

1970 – Van horen zeggen

1971 – Dag jij

1973 – Figuratief

1974 – De wangebeden

1975 – Het Jansenisme

1977 – Emblemata

1977 – Het graf van Pernath

1978 – Cobra Revisited

1978 – Van de koude grond

1979 – Zwart (poëzie bij werk van Karel Appel en Pierre Alechinsky)

1979 – Claustrum

1979 – Gedichten 1969-1978

1979 – Fuga

1980 – 63 Kwatta-rijmen voor Gans België

1981 – Fiesta

1981 – Jan de Lichte

1982 – Almanak (verzamelbundel)

1982 – Het hooglied van Salomo

1985 – Halloween (gedichten bij tekeningen van Sylvia Kristel)

1985 – Gezegden

1985 – Het weerzinwekkend bezoek

1985 – Alibi

1985 – De dief van liefde

1985 – Gevulde contouren

1986 – Mijn honderd gedichten

1986 – Sonnetten

1986 – Bewegen

1986 – Evergreens

1987 – Sporen

1987 – Hymen (gedichten bij tekeningen van Corneille)

1987 – Imitaties

1990 – Steeds / Cité

1990 – Gedichten

1992 – Geplette gedaanten

1993 – 10 manieren om naar P.B.S. te kijken

1993 – De Sporen

1993 – Zij

1994 – Gedichten 1948-1993

1995 – Ach Clemens

1995 – Et voilà, le travail!

1995 – Zoek de zeven

1997 – Impromptu

1998 – Oktober 43

1998 – De aap in Efese

1998 – Voor de reiziger

1999 – Het huis van de liefde (bloemlezing)

1999 – Wreed geluk

2000 – Made in Belgium

2001 – De groeten (ter gelegenheid van Gedichtendag)

2002 – Sans Merci

2002 – Mijn hart en ik (bloemlezing)

2002 – Ik schrijf je neer

2002 – De tafel is leeg

2003 – Zeezucht

2004 – In geval van nood

2004 – Flagrant, bij etsen van Pierre Alechinsky

Toneelstukken

1952 - De Getuigen (eenakter)

19 .. - Zonder vorm van Proces (eenakter)

1953 – Een bruid in de morgen

1954 - (M)oratorium (eenakter)

1954 - In een haven (eenakter)

1955 - De Geliefden (eenakter)

1956 – Het lied van de moordenaar

1957 – Dantons dood (Georg Büchner, vertaling)

1957 - Onder het Melkwoud (Dylan Thomas, vertaling)

1958 – Suiker

1959 - Woyzeck (Georg Büchner, vertaling)

1959 – Mama, kijk, zonder handen!

1960 - Quat-Quat (Jacques Audiberti, vertaling)

1961 - Antigone (Christopher Logue, vertaling)

1961 - Zannekin

1962 – De dans van de reiger

1963 - Allen die vallen (Samuel Beckett, vertaling)

1964 - Scherts, satire, ironie en diepere betekenis (Christian Dietrich Grabbe, vertaling)

1964 - Hendrik V (William Shakespeare vertaling)

1965 – De legende en de heldhaftige, vrolijke en roemrijke avonturen van Uilenspiegel en van Lamme Goedzak in Vlaanderen en elders (massaspel, naar Charles de Coster)

1966 – Thyestes (naar Seneca)

1966 - Het huis van Bernarda Alba (Federico Garcia Lorca vertaling)

1966 – Het Goudland (naar Hendrik Conscience)

1967 – Masscheroen (naar Mariken van Nieumeghen)

1968 – Wrraaak! (naar The Revenger's Tragedy van Cyril Tourneur)

1969 – Vrijdag

1970 – De Spaanse hoer (naar La Celestina van Fernando de Rojas)

1970 – Tand om tand

1970 – Het leven en de werken van Leopold II

1971 – Interieur (naar zijn Omtrent Deedee)

1971 – Oedipus (naar Seneca)

1971 - Warm en Koud (Fernand Crommelynck, vertaling)

1972 – De vossejacht (naar Volpone van Ben Jonson)

1972 - De Advertentie/Theresa (Natalia Ginzburg, vertaling)

1973 – Pas de deux

1973 – Blauw blauw (naar Private Lives van Noël Coward)

1975 – Thuis

1976 – Orestes (naar Euripides)

1977 – Jessica

1977 – Het huis van Labdakos

1979 - Macbeth (William Shakespeare, vertaling)

1980 – Phaedra (naar Seneca)

1980 - Rashomon (Fay & Michael Kanin, vertaling)

1980 – Jan zonder Vrees (naar Giorgio Gaber)

1981 – Een hooglied

1981 – Een winters verhaal (William Shakespeare, vertaling)

1981 - Pantagleize (Michel de Ghelderode, vertaling)

1982 – Het haar van de hond

1982 – Lysistrata (Aristophanes, vertaling)

1982 - De Jood van Malta (Christopher Marlowe vertaling)

1982 - De Verzoeking

1983 - Hamlet (naar William Shakespeare)

1984 – Serenade

1984 - Droom van een Zomernacht (William Shakespeare, vertaling)

1985 - Goddelijke Woorden (Ramón María del Valle-Inclán, vertaling)

1985 – Blindeman (naar zijn eigen bewerking van Oidipus)

1986 – In Kolonos (naar Sofokles)

1987 – Romeo en Julia (William Shakespeare, vertaling)

1987 - De Golven van de Liefde en van de Zee (Franz Grillparzer, vertaling)

1987 - Koning Lear (William Shakespeare, vertaling)

1988 – Gilles!

1988 – Het huis van Bernarda Alba (Federico Garcia Lorca, vertaling)

1988 – Het schommelpaard

1991 – Richard Everzwijn (naar Richard III van William Shakespeare)

1991 – Het mondeling verraad

1991 - Visite

1991 - Winteravond

1992 – Verroeren

1993 - De repetitie (Jean Anouilh, vertaling)

1993 – Onder de torens

1994 - Requiem

1995 – De eieren van de kaaiman

1996 – De verlossing

1997 – De komedianten (Pas de deux II)

1997 - Salome (Oscar Wilde, vertaling)

1998 - Borgerocco of de dood in Borgerhout

2000 - De man van het toeval (Yasmina Reza, vertaling)

Verhalen

1954 – Natuurgetrouw

1958 – De zwarte keizer

1958 – Als een jonge hond

1966 – De dans van de reiger (verhaal naar eigen filmscenario)

1969 – Natuurgetrouwer (uitgebreide uitgave van Natuurgetrouw)

1972 – Gebed om geweld

1974 – De groene ridder I: In het Wilde Westen

1974 – De groene ridder II: De paladijnen

1974 – De groene ridder VII: Aan de evenaar

1977 – De vluchtende Atalanta

1984 – Een bijzondere cirkel (uit Natuurgetrouwer, in Vlaamse verhalen na 1965)

1985 – De mensen hiernaast

1987 – Château Migraine

1988 – Een andere keer

1999 – Verhalen

2000 – Een andere keer (bloemlezing)

2000 – De schrijver. Een literaire estafette

2000 – De avondzon

Romans

1950 – De Metsiers

1952 – De hondsdagen

1956 – De koele minnaar

1962 – De Verwondering

1963 – Omtrent Deedee

1971 – Schola nostra (onder het pseudoniem Dorothea van Male)

1972 – Schaamte

1972 – Het jaar van de kreeft

1977 – Jessica

1978 – Het verlangen

1983 – Het verdriet van België

1988 – Een zachte vernieling

1994 – Belladonna

1996 – De geruchten

1998 – Onvoltooid verleden

Essays[bewerken]

1951 – Over het werk van Corneille

1954 – Cinq lithographies en couleur (essay bij werk van Karel Appel)

1962 – Karel Appel, schilder

1964 – Louis Paul Boon

1979 – Treize manières de regarder un fragment d'Alechinsky / Dertien manieren om een fragment van Alechinsky te zien

Filmscenario's

1958 - Dorp aan de rivier (film), voor Fons Rademakers

1960 - Het mes, voor Fons Rademakers

1967 - De vijanden, voor hemzelf

1968 - Speelmeisje, voor hemzelf

1971 – Mira, voor Fons Rademakers

1973 - Niet voor de poezen, voor Fons Rademakers

1976 - Pallieter (film), voor Roland Verhavert

1977 - Rubens, schilder en diplomaat, voor Roland Verhavert

1981 – Vrijdag, voor hemzelf

1982 - Menuet, voor Lili Rademakers-Veenman

1984 – De Leeuw van Vlaanderen, voor hemzelf

1986 - Het gezin Van Paemel, voor Paul Cammermans

1987 - Mascara, voor Patrick Conrad

1989 – Het sakrament, voor hemzelf

1995 - Escal-Vigor, naar de gelijknamige roman van Georges Eekhoud[11]

2000 – De verlossing, voor hemzelf

Libretti

1956 - De witte Zee (M: François de la Rochefoucauld)

1957 - Van de Vikings tot Keizer Karel (M: Daan Sternefeld)

1965 - De Mattheuspassie (vertaling; M: E.P. De Brabandere)

1968 – Morituri (M: Bruno Maderna)

1969 – Blauwdruk van de opera Reconstructie (T: met Harry Mulisch; M: Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg, Peter Schat, Jan van Vlijmen)

1985 – Georg Faust (M: Konrad Boehmer)

1995 – Borgerocco of De Dood in Borgerhout

Novellen

1980 – De Verzoeking

1989 – De zwaardvis (Boekenweekgeschenk)

1998 – Het Laatste Bed

2000 – Een Slaapwandeling

2003 - De Verzoeking en andere novellen (verzamelbundel)

Overige

1950 – Die waere ende suevere chronycke van sGraevensteene: Esbatement ofte cluyte [...] (onder pseudoniem Anatole Ghekiere)

1964 – Karel Appel, schilder (essay en gedichten)

1967 – De vijanden (cinéroman, naar zijn film)

1967 – De avonturen van Belgman 1 (stripverhaal met hugOKE)

1977 – P.P. Rubens, schilder en diplomaat (televisiereeks)

1980 – De pen gaat waar het hart niet kan (interviews, samengesteld door Gerd de Ley)

1980 – Ontmoetingen met Corneille en Karel Appel (gedichten en beschouwingen, samengesteld door Erik Slagter)

1989 – Perte totale (proza en poëzie bij schetsen)

 

1999 – Goede geschiedenissen of een A.B.C. van de kinderheiligen (lees- en plakboek)

bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hugo_Claus